
De politieke elite van Oss 1850-1900
Historie 1.126 keer gelezenOSS | Om rond 1850 te mogen stemmen en lid te worden van de gemeenteraad moest je minstens f 10,- belasting betalen en een man van minstens 23 jaar zijn. In 1850 waren dat 248 mannen, in 1900 805, in procenten uitgedrukt respectievelijk 20% en 56% van de volwassen mannen. De eisen voor het kiesrecht waren in 1900 verruimd en mochten ook alle volwassen mannen stemmen, die konden lezen en schrijven.
In 1850 waren de gemeenteraadsleden hoofdzakelijk rijke boeren, ambachtslieden, handelaren en overheidsdienaren. In 1900 zaten er ook een aantal industriëlen in de raad. Twee families waren nadrukkelijk aanwezig: de families Jurgens en Van Erp. In 1850 stopte boterhandelaar Anton Jurgens met het lidmaatschap van de raad, maar zijn zwager Hendrik van den Heuvel, getrouwd met zijn nicht Maria Jurgens, werd toen burgemeester. Gijs van Alem, raadslid en een tijdje wethouder, was de zwager van Jan Jurgens, dus Jurgens was indirect wel vertegenwoordigd. Arnold Jurgens, zoon van Anton, was raadslid van 1877 tot 1903; ook Jan en Emile Jurgens zijn nog lid geweest, dus met de invloed van de familie Jurgens zat het wel goed.
Bij de familie Van Erp waren drie generaties nadrukkelijk aanwezig. Rond 1850 was veehouder Nic van Erp wethouder en raadslid. Zijn zoon Driek van Erp was raadslid vanaf 1872 en vanaf 1878 tot 1905 wethouder. Hij werd opgevolgd door zijn zoon Martinus. Daarnaast had je nog raadsleden Willebrord, Jan, Nic Antoon en Frans, Kortom, ook de familie Van Erp was ruim vertegenwoordigd in de raad.
Opvallend was de verwevenheid met de katholieke kerk, terwijl de Joodse familie van den Bergh, rijke boterfabrikanten, geen leden leverden aan de raad. Zowel Anton Jurgens als Nic van Erp waren lid van het Parochiaal Kerkbestuur en later gold dat ook voor Driek van Erp en Arnold Jurgens. De meeste Ossenaren waren katholiek, dus ook de raad steunde de katholieke kerk; zo werd de begraafplaats aan de Eikenboomgaard voor een habbekrats overgedaan aan de katholieke kerk en kregen het katholieke gasthuis en de bewaarschool een ruime subsidie. Kortom, twee families domineerden in de raad en de gemeenteraad was een katholiek bolwerk.
Het grootste deel van de uitgaven van het gemeentebestuur ging naar publieke zaken. Er werd geld uitgegeven aan bestrating van wegen, aanleg van riolen, maar ook aan armenzorg en openbaar onderwijs. Er werd geld gestopt in de aankoop van aandelen voor de aanleg van de spoorweg en het oprichten van een gemeentelijke gasfabriek. Het belastinggeld ging naar openbare voorzieningen, waar ook de gewone burgers van profiteerden. De politieke elite zat er dus niet alleen voor zichzelf! En zo hoort het ook!















